|
Inhoudsopgave
Samenvatting *
S1
Inleiding *
S2 De feitelijke
huren in 1994 *
S3 De
schaarsteverhoudingen *
S4
De kwaliteitsverschillen *
S5 De koopwoningmarkt *
S6 Concurrentie vanuit de koopsector *
S8 Prijs/kwaliteitverhouding in 1994 *
S9 Verhouding
taxatiewaardehuur puntenhuur *
S10 Conclusies *
1.
Inleiding *
2. Opzet van het
boek *
3. Vergelijkingen
tussen de 36 woningmarktgebieden *
3.1 De huursituatie in 1994 (kaart 1) *
3.2 De taxatiewaardehuur (kaart 3) *
3.3 De puntenhuur oftewel
een indicator voor de lange termijn evenwichtshuur (kaart 2) *
3.4 De koopwoningmarkt (kaart 4) *
3.5 Verhouding
taxatiewaardehuur/puntenhuur (kaart 5) *
3.6 Index
taxatiewaardehuur/feitelijke huur (Nederland=100) (kaart 6) *
3.7 De prijs/kwaliteitverhouding
voor huurwoningen in 1994 (kaart 6a) *
3.8 Pendel als indicator voor krapte
op de woningmarkt (kaart 6b) *
3.9 Impliciete subsidies (kaart 8) *
3.10 Aantal potentiële kopers onder
huurders in drie scenario’s *
3.10.1 Algemeen (kaart 7) *
3.10.2 Woonlasten voor de eigenaar-bewoner onder diverse
veronderstellingen (kaart 7b) *
3.11 Huren, verkoopprijzen en inkomen per hoofd in 1994 (kaart 9) *
4 Regionale kerngegevens
van 36 woningmarktgebieden *
Algemeen *
Kerngegevens huursector *
Literatuurlijst *
Samenvatting
S1
Inleiding
De laatste jaren worden de huurmutaties in toenemende mate
bepaald door marktomstandigheden. Na afschaffing van de ‘trendmatige’
huurverhogingen per 1 juli 1993 is er immers vrije huurvorming met
differentiatie, terwijl voor die tijd bijna alle huren met een gelijk percentage
verhoogd werden.
Er is een proces naar marktconforme huren gestart. Aangezien er
in de marktomstandigheden grote regionale verschillen bestaan, is het voor een
goed inzicht in de ontwikkeling van de huurwoningmarkt noodzakelijk om de
regionale dimensie in het oog te houden. Het boek regionale woningmarkten geeft
aan welke invalshoeken bijdragen aan een goede beoordeling van de regionale
ontwikkeling van de huren. Hiervoor zijn twee indicatoren voor de markthuur
ontwikkeld. De eerste is de taxatiewaardehuur. Met behulp van regressieanalyse
op de koopmarkt is een schatting van de taxatiewaarde van huurwoningen gemaakt.
Vervolgens zijn aan de hand van een marktconform redement de taxatiewaardehuren
berekend. De taxatiewaardehuur is aldus een indicator voor de markthuren op
basis van de schaarsteverhoudingen zoals die in 1994 bestonden. Een alternatieve
indicator voor de markthuur is een puntenhuur, berekend met behulp van het
woningwaarderingsstelsel (WWS). Hierin spelen met name objectieve kenmerken van
de woning een doorslaggevende rol bij de prijsbepaling (MMC, 1997b). Met behulp
van deze twee indicatoren zijn vervolgens spanningsvariabelen berekend, die een
inschatting geven van toekomstige ontwikkelingen in de huren, en die de krapte
op de woningmarkt aangeven. De berekeningen zijn gebaseerd op het meest recente
bestand met microgegevens van het CBS, het Woningbehoeften Onderzoek '94 (WBO
'94), met gedetailleerde gegevens over 54.000 woningen en hun bewoners.
S2 De feitelijke
huren in 1994
In 1994 stonden er in Nederland circa 3,2 miljoen woningen,
waarvan de gemiddelde huur bijna 570 gulden per maand bedraagt. De feitelijke
huurprijzen verschillen tussen de regio’s maar weinig, van -9% (Leeuwarden) tot
+14% (Flevoland) ten opzichte van Nederland.
De betrekkelijk geringe discrepanties in de feitelijke huren
tussen regio's zijn voor de toekomst echter niet zo heel vanzelfsprekend meer.
Volgden de huren voor 1 juli 1993 in principe dezelfde ‘trendmatige’
huurverhoging, na 1993 kunnen de huren binnen de grens van de maximale redelijke
huurstijging en maximaal redelijke huurniveau vrij worden aangepast (1). De
laatste tijd zijn er meer mogelijkheden om de huren te differentiëren en naast
de historische kostprijs plus inflatie ook kwaliteitsverschillen,
consumentenvoorkeuren en vraag en aanbodverhoudingen in de huurvorming mee te
laten spelen. In de toekomst met de meer vrijere huurvorming mag dan ook meer
spreiding in de huren tussen regio’s worden verwacht. Factoren die hier een rol
in zullen spelen zijn schaarsteverhoudingen en de verschillen in kwaliteit van
de woningen naast de al bestaande verschillen in historische bouwkosten.
S3 De
schaarsteverhoudingen
Doordat de huurprijsvorming de afgelopen eeuw door de overheid
werd gereguleerd zijn de feitelijke huren geen weerspiegeling van de huren onder
marktcondities. Een indicator voor de huren onder vrije marktcondities vormt de
taxatiewaardehuur. Met behulp van gegevens uit de koopwoningmarkt is in het WBO
’94 de taxatiewaarde van huurwoningen geschat (zie box 1.). Hoewel de koopsector
ook belemmeringen kent, zoals de overdrachtsbelasting, bepalen vraag en aanbod
hoofdzakelijk de prijsvorming op de koopwoningmarkt. Veel meer dan in de
feitelijke huren weerspiegelen de koopprijzen consumentenvoorkeuren, kwaliteit
en vraag- en aanbodverhoudingen. In 1994 bedroeg de spreiding in koopprijzen
tussen regio’s dan ook meer dan 50%, terwijl het verschil in de feitelijke huren
tussen de duurste en goedkoopste regio maar 23% was.
Box 1. De taxatiewaardehuur
Deze ‘taxatiewaarde huur’ is berekend met behulp van informatie
uit de koopwoningmarkt. Met gegevens uit het WBO’94 zijn regressieberekeningen
uitgevoerd, waarbij de getaxeerde verkoopwaarde van de koopwoning verklaard is
uit woonkenmerken zoals oppervlakte van de vertrekken, het aantal kamers, de
woningmarktregio etc. Dit levert gewichten op voor de diverse kenmerken van een
woning. Met deze gewichten kan vervolgens, voor iedere huurwoning, een
verkoopwaarde worden geschat. Het resultaat is de zogenaamde 'taxatie
verkoopwaarde' van een huurwoning. Uit de taxatiewaarde is vervolgens een huur
berekend, die bij een marktconform rendement zou passen, de taxatiewaardehuur.
Als referentiepunt voor het marktconforme rendement is de situatie bij de
particuliere verhuurders genomen (2).
De van de koopsector afgeleide taxatiewaardehuren laten
eveneens een grotere regionale spreiding zien. Met name in de regio’s in de
Randstad liggen de taxatiewaardehuren relatief hoog. Hier is de schaarste dan
ook groter. De taxatiewaarde huur is overigens niet meer dan een indicator voor
de markthuur die zouden gelden bij vrije huurvorming met de
schaarsteverhoudingen van 1994. Bij een overgang naar vrije huurvorming zullen
er immers tengevolge van de initiële prijsverandering vraag- en aanbodreacties
optreden, die op hun beurt weer van invloed zijn op de hoogte van de huren.
Daarnaast zijn door sloop, nieuwbouw, demografische- en economische
ontwikkelingen de schaarsteverhoudingen in de loop van tijd aan verandering
onderhevig.
S4 De
kwaliteitsverschillen
In een woningmarkt met vrije toetreding door voldoende aanbod
van bouwgrond zal de prijsvorming meer tenderen naar de lange termijn
evenwichtshuur. Huurverschillen worden dan bepaald door verschillen in
vervangingswaarde. Hierin zullen met name objectieve kenmerken als verschillen
oppervlaktes van de vertrekken, aanwezigheid van bad, tuin etc. meespelen. Deze
kenmerken spelen ook een rol in de puntenhuur, gebaseerd op het
Woningwaarderingsstelsel (WWS). Aangezien de puntprijs behorende bij het
puntenstelsel dient als een maximum redelijke huur zal de evenwichtshuur veelal
lager liggen. (Indien we de gemiddelde evenwichtshuur gelijkstellen aan de
gemiddelde taxatiewaardehuur dan is de gemiddelde evenwichtshuur 71,5% van de
puntenhuur berekend op basis van het WWS).
We hebben voor de 24 duizend huurwoningen in het WBO ’94
eveneens de puntenhuur berekend. Aangezien objectieve kenmerken een rol spelen
kunnen verschillen in puntenhuur beschouwd worden als een indicator voor de
verschillen in kwaliteit van woningen. Het blijkt dat de kwalitatief beste
woningen met name in meer landelijke provinciën staan, terwijl in de regio’s
waar de grote steden zich bevinden de mindere woningen zijn te vinden.
|
De 'beste' woningen |
De 'slechtste' woningen |
1 Flevoland |
1 Amsterdam |
2 O-N-Brabant |
2 Den Haag |
3 Limburg-Noord |
3 Rijnmond |
4 Drenthe |
4 Haarlem |
5 Achterhoek |
5 ’t Gooi |
S5 De
koopwoningmarkt
Hoewel er in de koopsector ook belemmeringen bestaan, zoals de
overdrachtsbelasting, is de prijsvorming op deze markt meer een spel van vraag
en aanbod. Veel meer dan in de huurwoningmarkt zitten naast de kwaliteit van de
woning ook de consumentenvoorkeuren en vraag en aanbodverhoudingen in de prijs
verdisconteerd. In vergelijking met de huren van 1994 zijn er in de koopprijzen
veel grotere regionale verschillen. Was in de huurwoningmarkt het verschil
tussen de duurste en de goedkoopste huurwoning 23%, in de koopsector is het
verschil tussen Leeuwarden en ’t Gooi meer dan 50%. In de vrijere koopsector
zijn de regionale verschillen dus veel groter. Verder zien we dat er veel meer
spreiding in de feitelijke verkoopwaarden van koopwoningen dan in de voor de
koopwoningen berekende punten'huur'. Dit is eveneens een aanwijzing in welke
richting de huren zich zullen bewegen nu de huursector vrijere huurprijsvorming
kent.
S6 Concurrentie
vanuit de koopsector
Ontwikkelingen in de koopsector hebben grote invloed op de
huurwoningmarkt. Van de nieuwe kopers verlaat zo’n 40% een huurwoning (3), z
odat een groot deel van de doorstroming op de woningmarkt geïnitieerd wordt door
ontwikkelingen op de koopwoningmarkt.
Vooral voor huishoudens die in de duurdere huurwoningen wonen
is het vaak aantrekkelijk om te kopen. Zo is het bij een rente van 7% en totale
woonlasten van 9% voor 25% van de 300 duizend huishoudens in de allerduurste
klasse voordeliger om te kopen (4).
Bij de huidige rente van 6%, en overige lasten 2%, is het in
deze klasse zelfs voor 35% financieel aantrekkelijk om te kopen. Berekeningen
door MMC in de studie 'Ordening woningmarkt, naar marktconforme huren', laten
zien dat door een daling van de rente met één procent het voor 180 duizend
huishoudens financieel voordeliger wordt om hun eigen woning tegen marktwaarde
te kopen dan hun huis te blijven huren (5).
Voorts liggen met name in de duurdere huurklassen de feitelijke
huren vaak boven de markthuren. Hoewel het aandeel van de sociale verhuurders
daalt naarmate de huizen duurder zijn, hebben ze toch het overgrote deel van de
woningen in beheer. Het is mogelijk dat de sociale verhuurders deze woningen
gebruiken om de woningen in het goedkope segment te financieren, waar de
marktprijs de feitelijke huur overtreft. Vanwege de concurrentie met de
koopsector in deze huurklassen zullen ook sociale verhuurders gedwongen zijn hun
huren op marktconform niveau te brengen om zo leegstand te voorkomen. Dit zal
vooral buiten de Randstad het geval zijn. Om de exploitatie van het bezit
sluitend te maken zal er vervolgens een opwaartse druk komen op de huren van
woningen met een lage prijskwaliteitsverhouding. Verhuurders zullen in dit
segment van de markt in toenemende mate gedwongen worden ook marktconforme huren
te vragen.
S7 Index taxatiewaardehuur feitelijke huur
Nu we over de feitelijke huren en de taxatiewaardehuren
beschikken, zijn we in staat om de verhouding tussen beide onder de loep te
nemen.
De index van taxatiewaardehuur en feitelijke huur geeft
informatie over de te verwachten mutatie van de toekomstige huren onder invloed
van de schaarsteverhoudingen van 1994. Als de regionale woningbouw niet reageert
op gespannen situaties op de woningmarkt dan zullen de feitelijke huren op
termijn tenderen naar de taxatiewaardehuren. Er kan echter ook extra gebouwd
worden in gebieden met een hoge taxatiewaardehuur ten opzichte van de
puntenhuur. Op lange termijn zal dan de kwaliteit van de woning doorslaggevend
voor de prijsvorming zijn. Bij onvoldoende bouw in deze gebieden zal echter niet
de kwaliteit, maar de schaarste van de woningen domineren in de prijsvorming.
Het blijkt dat met name in de gebieden rondom de grote steden de huren dan flink
zullen gaan stijgen. Verder van de Randstad af zoals in Nijmegen en het noorden
van het land blijven de huurmutaties achter bij de inflatie of kunnen ten dele
zelfs dalen.
S8
Prijs/kwaliteitverhouding in 1994
Omdat we in deze studie zowel de feitelijke huur, als de
taxatiewaardehuur, als een kwaliteitsindicator van huurwoningen hebben, zijn we
in staat om de prijs/kwaliteit van woningen onder de loep te nemen. De
verhouding feitelijke huur ten opzichte van de puntenhuur geeft hoeveel er anno
1994 per punt (kwaliteit) betaald moet worden. Met name in de Randstad is de
prijs/kwaliteit verhouding hoog. In het algemeen blijkt dat de schaarste al
enigszins in de prijs is verdisconteerd. De woningen zijn kleiner, terwijl de
feitelijke huren boven het landelijk gemiddelde liggen. In het Noorden zijn de
woningen te vinden waar relatief weinig voor de geboden kwaliteit betaald hoeft
te worden.
Bij het opheffen van de schaarste door voldoende
bouwinspanningen kan deze indicator ook worden opgevat als een maatstaf waar de
huren zich op langere termijn naar toe zullen bewegen. Zoals gezegd kunnen
verschillen in puntenhuur worden opgevat als indicator voor verschillen in de
lange termijn evenwichtshuur. Bij het opheffen van regionale verschillen in
schaarste zullen de huren in die richting tenderen. Door de hogere kwaliteit van
de woningen buiten de Randstad zullen deze huren sterker stijgen dan in de
Randstad (6). Het is dus zaak om niet alleen de taxatiewaardehuur in het oog te
houden, maar ook de lange termijn evenwichtshuur om de effecten van
nieuwbouwinspanningen en andere ontwikkelingen die de schaarsteverhoudingen
beïnvloeden te kunnen beoordelen.
S9 Verhouding
taxatiewaardehuur puntenhuur
Zoals besproken zijn de verschillen in puntenhuur een indicator
voor de verschillen in kwaliteit van woningen, waarbij regionale schaarste
elementen ontbreken. In de taxatiewaardehuur zitten juist wel de schaarste
elementen. Deze verhouding kan aldus opgevat worden als een indicator voor de
schaarste per regio. Ligt deze quote boven de 1 dan duidt dit op een hoge
marktprijs voor de geboden kwaliteit, terwijl het omgekeerde het geval is bij
een quote onder de 1. Het blijkt dat in 1994 in met name de Randstad een hoge
marktprijs voor de geboden kwaliteit moet worden betaald, terwijl in Nijmegen en
de drie Noordelijke Provinciën een hoge marktprijs-kwaliteitverhouding kennen.
De koopwoningmarkt laat een redelijk identiek beeld zien. Ook bij koopwoningen
is met name in de Randstad de regionale schaarste gecorrigeerd voor de kwaliteit
hoog blijkens een quote die boven de 1 ligt.
Indien de huren in overeenstemming met de marktconforme huren
worden gebracht dan zullen op regionaal niveau de huren in de Randstad met meer
dan de inflatie stijgen. In het overgrote deel van de rest van Nederland zullen
marktconforme ontwikkelingen eerder een dempend effect op de huurmutaties
hebben. Extra bouw van huurwoningen in de Randstad kan daar echter een dempend
effect op de huren hebben. Dat kan ook via de bouw van koopwoningen. Dit heeft
namelijk een drukkend effect op de koopprijzen en dus ook de taxatiewaarden van
huurwoningen.
S10
Conclusies
De huren in Nederland kennen een betrekkelijk geringe regionale
spreiding. De spreiding in de taxatiewaardehuren, waarbij verhuurders een
marktconform rendement op de taxatiewaarde van de woning proberen te behalen, is
echter veel groter. Dit is eveneens het geval op de meer vrijere
koopwoningmarkt. Met name in de Randstad blijken de huren en de koopprijzen in
1994 ver boven het landelijk gemiddelde te liggen. Hoewel de feitelijke huren
ten opzichte van de geboden kwaliteit hier al hoger zijn dan in de rest van
Nederland, mag verwacht worden dat bij een vrijere huuraanpassing dit verschil
verder zal oplopen. Niet in alle segmenten van de markt zullen de huren een
opwaartse aanpassing maken. Bij duurdere huurwoningen ligt de marktprijs vaak
onder de feitelijke huur. Dit speelt met name in de gebieden buiten de Randstad
waar de woningmarkt in het algemeen wat meer ontspannen is. Ook de sterkere
concurrentie vanuit de koopsector door de lagere rente lijkt de huren van deze
woningen onder druk te zetten. Indien de marktpartijen en de overheid de
signalen die de markt afgeeft oppikken zal in de gebieden waar de taxatiewaarde
boven de puntenhuur ligt bouwgrond beschikbaar moeten worden gesteld. Op langere
termijn, nadat de regionale verschillen door nieuwbouw verdwijnen, zullen de
huren zich dan naar de lange termijn evenwichthuur bewegen.
Noten
(1) Voor woningen boven de IHS-grens (fl. 1085
in 1996) is de markt verder geliberaliseerd, voor deze woningen geldt de
maximale huurstijging en de maximale huur niet meer.
(2) Als definitie voor
het (bruto)rendement is genomen de verhouding tussen de feitelijke gemiddelde
huur per jaar en de gemiddelde taxatiewaarde. Dat rendement bedroeg in 1994 bij
de sociale verhuurders 5,2% en bij de particuliere instellingen 5,5%. Aangezien
mag worden aangenomen dat particuliere verhuurders op de lange termijn grosso
modo een marktconform rendement realiseren, nemen we een rendement van 5,5% op
jaarbasis als uitgangspunt. Overigens komt men tot een vrijwel hetzelfde
percentage als men uitgaat van, op jaarbasis, 1,5% voor onderhoud, eigenaarsdeel
Onroerende Zaak Belasting, waterschapslasten, opstalverzekering en
beheerskosten, een 4% reëel netto rendement.
(3) Berekening op basis van het
WBO '94.
(4) Er is geen rekening gehouden met het effect van de harder
stijgende koopprijzen t.o.v. de stijging in de huren.
(5) Hierbij is afgezien
van het meenemen van een stijging van de huizenprijzen door de lagere rente.
Wordt dit wel meegenomen dan blijken koopwoningen tussen ultimo '93 en ultimo
'96 zo'n 7% meer in prijs gestegen dan de huren. Het aantal extra kopers zakt
dan tot 60 duizend huishoudens.
(6) We laten dan eventuele verschillen in
bouwkosten buiten beschouwing.
1.
Inleiding
Met behulp van dit boek kunt u uw inzicht in de werking van de
diverse regionale woningmarkten vergroten en toekomstige ontwikkelingen in deze
markt beter inschatten. Doordat alle data eveneens op diskette zijn bijgeleverd
kunt u eveneens gemakkelijk aanvullende analyses maken.
Dit boekwerk kan hierdoor dienen als naslagwerk voor iedereen
die met de woningmarkt te maken heeft. De volgende aspecten komen daarbij zoal
aan bod:
- Hoe hoog zijn de prijzen van huur- en koopwoningen?
- Waar staan de beste en waar de minste huizen?
- Waar krijg je het meest waar voor je geld?
- Waar kunnen de grootste huurmutaties verwacht worden als er weinig bouwgrond
beschikbaar komt en in welke orde van grootte zal dit zijn in vergelijking met
andere woningmarkten?.
- Waar is de woningnood het meest pregnant?
- Wat zijn de ontwikkelingen in de huren als de regering prioriteit aan
woningbouw geeft in die gebieden waar schaarste heerst?
- Hoeveel ontvangen de corporaties aan huur, en hoeveel zou er aan Individuele
Huur Subsidie (IHS) betaald zijn als iedereen die er recht op heeft IHS
aangevraagd zou hebben?
- Is de regio een woon- of een werkregio en kan dit als indicator voor krapte
op de woningmarkt worden beschouwd?
- Hoeveel huurders zouden op basis van hun woonlasten en inkomen beter kunnen
gaan kopen?
- Voor hoeveel extra mensen zou kopen goedkoper worden als de rente één
procent zakt?
- En wat zijn de effecten van een eventueel nieuw belastingstelsel (zoals
Vermeend het ongeveer voor ogen zal hebben)?
- Zijn er binnen de regio verschillen als het gaat om leeftijd, soort
verhuurder, inkomen of huurklassen?
Dit boekwerk is een aanvullend resultaat van diverse
onderzoeken die Micromacro Consultants (MMC) de afgelopen jaren verrichtte naar
de Nederlandse woningmarkt. MMC won drie tenders in opdracht van het Ministerie
VROM: naar de mogelijke gevolgen van liberalisatie van de huurwoningmarkt; naar
overstappen op een ander stelsel van maximaal redelijke huren; en naar
gedeeltelijke afschaffing van de overdrachtsbelasting. Voorts won MMC de tender
van Ministerie van Financien en het Ministerie van EZ voor het onderzoek
‘Ordening in de woningmarkt: naar marktconforme huren’. De analyse in deze
onderzoeken vond op nationaal niveau plaats. De besluitvorming op de woningmarkt
vind echter steeds meer op regionaal niveau plaats. Zo dienen corporaties
jaarlijks een activiteitenoverzicht op te stellen en de gemeenten uit te
nodigen tot overleg. Dat overleg moet in beginsel leiden tot prestatieafspraken. Van de gemeenten wordt verwacht dat ze hun
beleidsvisie expliciet maken in een concreet volkshuisvestingsplan. Om
deze overzichten en plannen te kunnen opstellen is zowel feitelijke informatie
over de regionale woningmarkten nodig, alsook een inschatting van verwachte
ontwikkelingen in het kader van meer marktwerking. Welke ruimte is er voor
huurverhogingen zowel bezien vanuit vraag- en aanbodverhoudingen als vanuit
prijs/kwaliteitsverhoudingen?
Om een bijdrage te leveren aan deze regionale behoefte aan
informatie heeft MMC dit naslagwerk met bijgaande diskette met detailcijfers
voor eigen rekening en risico vervaardigd, daarbij voorbouwend op resultaten van
eerder genoemd onderzoek voor diverse Ministeries.
Dit onderzoek zou onmogelijk zijn geweest zonder het
Woningbehoeftenonderzoek (WBO ’94) met uitgebreide gegevens van een steekproef
van 1% van de huishoudens. Onze bijzondere dank gaat uit daarom naar het CBS,
ook omdat MMC dankzij een speciale overeenkomst toegang kreeg tot de individuele
gegevens. Uiteraard zijn de gegevens hier zo gepresenteerd dat gegevens van
individuen er niet uit kunnen worden herleid. Daartoe zijn gegevens over groepen
die minder dan 600 personen tellen niet vermeld.
Aan dit regionale onderzoek en voorafgaande berekeningen
werkten de volgende MMC consultants mee: drs. Niek Nahuis, die de meeste
berekeningen voor dit boek uitvoerde, en voorts Gerben de Boon, drs. Peter van
Es en dr. Marein van Schaaijk.
2. Opzet van het boek
Naast de feitelijke huren komen de maximaal redelijke huren aan
de hand van het puntenstelsel en de taxatie waardehuur aan bod. De
taxatiewaardehuur is een indicator die is afgeleid van de prijs en kenmerken van
koopwoningen. De hier berekende taxatiewaarden zijn berekend op soortgelijke
manier als eerder door MMC in 1995 en later door MMC in samenwerking met het
Bouwcentrum is vervaardigd (VROM 1996). De taxatiewaardehuur is een indicator
voor de markthuren op basis van de schaarsteverhoudingen zoals die in 1994
bestonden.
Een alternatieve indicator voor de markthuur is de puntenhuur,
zoals berekend met behulp van het woningwaarderingsstelsel. Hierin spelen met
name objectieve kenmerken van de woning een doorslaggevende rol bij de
prijsbepaling (MMC, 1997b).
Met behulp van deze twee indicatoren zijn vervolgens
spanningsvariabelen berekend, die een inschatting geven van toekomstige
ontwikkelingen in de huren, en die de krapte op de woningmarkt aangeven. Ter
vergelijking wordt eveneens de koopwoningmarkt in beeld gebracht. Vervolgens
komt de pendel (forensisme) aan bod. Een positieve pendelsaldo impliceert dat er
meer mensen vanuit die regio werkzaam zijn buiten die regio dan andersom.
Oftewel de uitgaande stroom van pendelaars is groter dan de binnenkomende
stroom. Dit zou een indicatie kunnen zijn voor een ontspannen woningmarkt. Dit
in tegenstelling tot een negatief pendelsaldo. Dit zou kunnen duiden op een
tekort aan woonruimte zodat mensen gedwongen zijn buiten hun werkregio te wonen
(MMC, 1997a).
Daarna wordt gekeken hoe de verhouding tussen huren en kopen
ligt. Berekend wordt hoeveel huurders op basis van hun inkomen en hun huur in
1994 financieel beter af zouden zijn als zij hun huurhuis zouden kopen tegen
taxatiewaarde. Hierbij worden de huidige woonlasten van huurders vergeleken met
de woonlasten die ze zouden hebben indien ze hun eigen huis zouden kopen. Dit is
zowel berekend voor de rentestand anno 1994 van 7%, als voor de rentestand van
1997 (6%). Tevens is onder enkele vooronderstellingen de door Vermeend
voorgestelde belastingherziening doorberekend (MMC, 1997c).
3. Vergelijkingen tussen de 36
woningmarktgebieden
3.1 De huursituatie in 1994 (kaart
1)
De Nederlandse huurwoningmarkt bestaat uit circa 3,2 miljoen
woningen. De gemiddelde huur bedroeg in 1994 bijna 570 gulden per maand. Hoewel
elke regio zijn eigen karakter heeft en er tussen de regio’s vele verschillen
bestaan, verschillen de feitelijke huurprijzen maar weinig. Op de kaart op de
vorige bladzijde staat de index van de feitelijke huren waarbij Nederland gelijk
aan 100 is. In die kaart zijn de 36 onderscheiden woningmarktregio's gestileerd
neergezet. Het blijkt dat de goedkoopste regio, Leeuwarden, 9% goedkoper dan
gemiddeld is, terwijl in Flevoland de huren 14% hoger liggen dan het landelijk
gemiddelde. In die kaart zijn de 36 onderscheiden woningmarktregio's gestileerd
neergezet. Deze feitelijke huurverschillen kunnen verschillende oorzaken hebben
zoals verschillen in kwaliteit van de woningen, schaarsteverhoudingen, of
historische verschillen in bouwkosten.
Voor 1 juli 1993 volgden de huren in principe dezelfde
‘trendmatige’ huurverhoging, na 1993 kunnen de huren binnen de grens van de
maximale redelijke huurstijging en maximaal redelijke huurniveau vrij worden
aangepast. De laatste tijd zijn er daarom meer mogelijkheden voor verhuurders om
hun huren te differentiëren en naast de kwaliteit ook consumentenvoorkeuren en
vraag en aanbodverhoudingen in de huurvorming mee te laten spelen.
Kortom de geringe discrepanties in de feitelijke huren zijn
niet zo heel vanzelfsprekend en in de toekomst met de meer vrijere huurvorming
mogen hierin dan ook veranderingen in verwacht worden. Welke richting dit op zal
gaan zal in de komende hoofdstukken aan bod komen.
3.2 De
taxatiewaardehuur (kaart 3)
In de huurwoningmarkt geldt dat de feitelijke huren de vraag-
en aanbodverhoudingen niet goed weerspiegelen en ook geen goede maat vormen voor
de kwaliteit van de woningen. In eerder onderzoek (Micromacro Consultants, 1996)
hebben we daarom gewerkt met een indicator voor de marktprijs, de
‘taxatiewaardehuur’
Deze ‘taxatiewaarde huur’ is berekend met behulp van informatie
van de koopwoningmarkt. Met gegevens uit het WBO’94 zijn regressieberekeningen
uitgevoerd. Daarbij is de getaxeerde verkoopwaarde van de koopwoning verklaard
uit woonkenmerken zoals oppervlakte van de vertrekken, het aantal kamers, de
woningmarktregio etc. Zo'n regressie levert gewichten op voor de diverse
kenmerken van een woning. Met deze gewichten kan vervolgens, voor iedere
huurwoning, een verkoopwaarde worden geschat. Het resultaat is de zogenaamde
'taxatie verkoopwaarde' van een huurwoning.
Uit de taxatiewaarde van een huurwoning kan een huur worden
berekend die bij een marktconform rendement zou passen. We noemen deze huur de
taxatiewaardehuur. Als referentiepunt voor het marktconforme rendement is de
situatie bij de particuliere verhuurders genomen (7).
De taxatiewaarde huur is overigens niet meer dan een indicator
voor de markthuur die zou gelden bij ‘vrije’ huurvorming. Bij overgang op een
systeem van vrije huurvorming zullen er tengevolge van de initiële
prijsveranderingen immers vraag- en aanbodreacties optreden die op hun beurt
weer invloed hebben op de hoogte van de huren.
Bijgaande kaart laat zien dat de regionale verschillen in
gemiddelde taxatiewaardehuur veel groter zijn dan die bij de feitelijke huren.
Met name in veel regio's in de Randstad liggen de taxatiewaardehuren relatief
hoog. Hier is de schaarste dan ook hoger. In een volgend hoofdstuk zullen we de
taxatiewaarden in verhouding met de feitelijke huren en de puntenhuren bezien.
Aldus kunnen we het marktprijspeil van vergelijkbare woningen in de
randstedelijke regio's vergelijken met het overige delen van Nederland.
Terugrekenen naar taxatiewaarde
Terugrekenen naar taxatiewaarde gaat als volgt: men neme de
taxatiewaardehuur (per maand) en vermenigvuldigt die met 12. Vervolgens deelt
men door 0,055. Dan verkrijgt men de taxatiewaarde van de woning die
oorspronkelijk is gebruikt om de taxatiehuur te berekenen.
3.3 De
puntenhuur oftewel een indicator voor de lange termijn evenwichtshuur (kaart
2)
De ‘puntenhuur’, (en de ‘maximaal redelijke huur’) is gebaseerd
op het Woningwaarderingsstelsel (WWS, zie volgende bladzijde). Dat stelsel is
door het Ministerie VROM in het leven geroepen als objectieve waarderingsbasis
voor de kwaliteit van een woning. Voor iedere woning kan aan de hand van
objectieve kenmerken zoals oppervlakte van de woonkamer, aanwezigheid van bad,
tuin etc. een aantal punten worden berekend. Op basis van het puntental en de
puntprijs kan vervolgens de puntenhuur worden berekend. Tot de IHS-grens (ruim
duizend gulden per maand in 1997) is de puntenhuur gelijk aan de 'maximaal
redelijke' huur. De maximaal redelijke huur ligt in het algemeen ver boven de
feitelijke huren (gemiddeld ruim 50%). Hij is dan ook niet bedoeld als indicator
voor de gewenste huur, maar als de maximale huur die een verhuurder aan de
huurder mag vragen. Indien een huurder berekent dat zijn huur hoger ligt dan de
maximale huur op basis van het WWS, dan kan hij of zij bij de huurcommissie
bezwaar aantekenen. Indien het bezwaar geaccepteerd wordt, moet de verhuurder de
huur verlagen.
Hoewel voor de zogenaamde geliberaliseerde woningen (met een
huur boven de IHS-grens) de maximaal redelijke huur niet geldt, kunnen we voor
deze woningen wel de punten en daarbij behorende puntenhuur berekenen. We
spreken in dit rapport dan ook over de puntenhuur in plaats van de maximaal
redelijke huur.
De puntenhuur kunnen we ook gebruiken om de lange termijn
evenwichtshuur te benaderen.
Omdat de berekening van de puntenhuur gebaseerd is op
objectieve kenmerken van woningen zoals vloeroppervlak, kan men verschillen in de puntenhuur zien als een indicator voor verschillen in lange termijn
evenwichtshuur onder vrije marktcondities. Onder vrije marktcondities behoort
vrije toetreding en dus voldoende aanbod van bouwgrond. Indien de overheid
bouwgrond op die plaatsen waar schaarste heerst beschikbaar stelt zullen de
huren op termijn tenderen naar de lange termijn kostprijs. Het is voorstelbaar
dat in deze kostprijs met name factoren meespelen die ook van invloed zijn op de
puntenhuur. Als we de puntenhuren vermenigvuldigen met 0,715 verkrijgen we een
benadering van de lange termijn evnwichthuur. Deze is dan gemiddeld gelijk is
aan de gemiddelde taxatiewaardehuur voor Nederland.
Hierna volgt in het kort puntenstelsel waarop de berekeningen
zijn gebaseerd. Vanaf 1 juli 1993 tot 1 juli 1994 (ten tijde van het WBO ’94)
was de puntprijs tot 80 punten fl 6,80 per punt, boven de 80 punten was de
puntprijs fl. 7,47.
Box 4.1 Het woningwaarderingsstelsel.
|
1. Oppervlakte van vertrekken |
1 punt per m2 |
|
2. Oppervlakte overige ruimten |
¾ punt per m2 |
|
3. Verwarming |
|
|
- per verwarmd vertrek |
2 punten |
|
- privé-ketel in de woning |
3 punten |
|
- privé hoog-rendementsketel |
5 punten |
|
- collectieve hoog-redementsinstallatie |
1 punt |
|
- thermostatische ventielen (radiatorkranen) per vertrek |
¼ punt (maximaal 2 punten) |
|
- verwarmingselement(en) buiten vertrekkenper ruimte |
1 punt (maximaal 4 punten) |
|
- c.v. combi (warmwaterdeel) |
1 punt |
|
- doorstroommeters (collectieve verwarmings-\installaties) |
1 punt |
| |
|
|
4. Warmte-isolatie |
maximaal 15 punten |
| |
|
|
5. Keuken |
|
|
lengte aanrecht tot 1m |
0 punten |
|
lengte aanrecht 1 tot 2 m |
4 punten |
|
lengte aanrecht 2 m en meer |
7 punten |
|
|
(max. verdubbeling i.v.m. kwaliteitsbijtelling) |
| |
|
|
6. Sanitair |
|
|
- toilet |
3 punten |
|
- wastafel |
1 punt |
|
- douche |
4 punten* |
|
- bad |
6 punten* |
|
- bad/douche |
7 punten* |
| |
|
|
|
|
|
6a woonvoorziening voor gehandicapten per fl 500 van de door de verhuurder
aangebrachte kosten |
1 punt |
|
|
|
|
7. Veroudering |
af: maximaal 30 punten |
| |
|
|
8. Privé buitenruimten |
|
| |
|
|
- tot 25 m2 |
2 punten |
|
- van 25 tot 50 m2 |
4 punten |
|
- v an 50 tot 75 m2 |
6 punten |
|
- van 75 tot 100 m2 |
8 punten |
|
- 100 m2 en meer |
10 tot 15 punten |
|
- geen privé buitenruimte: |
af 5 punten |
|
- carport |
2 punten |
| |
|
|
9 Woonvorm |
|
| |
|
|
- vrijstaande woning |
17 punten |
|
- hoekwoning |
15 punten |
|
- tussenwoning/eindwoning |
12 punten |
| |
|
|
Woningen in meergezinshuizen |
met lift |
zonder lift |
|
- begane grond |
6 p. |
6 p. |
|
- 1e verdieping |
5 p. |
3 p. |
|
- 2e verdieping |
4 p. |
1 p. |
|
- 3e verdieping en hoger |
4 p. |
0 p. |
|
16 of minder woningen: |
|
|
- per liftschacht: |
2 punten per woning extra |
|
Duplex |
|
|
- bovenwoning |
1 punt |
|
- benedenwoning |
4 punten |
|
|
|
|
10 Woonomgeving |
maximaal 25 punten |
| |
|
|
11 Hinderlijke situaties: |
af maximaal 20 punten |
| |
|
|
12 Bijzondere voorzieningen uitsluitend bij
serviceflatwoningen |
bij: 35% van de ingevolge de onderdelen 1 t/m 11 toegekende
punten |
(* max. verdubbeling i.v.m. kwaliteitsbijtelling)
In de kaart bij dit hoofdstuk ziet men de index van de
puntenhuur in guldens van 1994. Hierbij is Nederland gelijk gesteld aan 100. Uit
de kaart blijkt dat in met name de grote steden de huizen staan met de gemiddeld
laagste puntenhuur, dus de ‘kleinste, minst luxe’ woningen. Doordat in de steden
in het algemeen minder ruimte voor handen is zal men kleinere huizen bouwen,
meer hoogbouw en zullen er minder grote buitenruimten aanwezig zijn. Juist
variabelen als oppervlakte, buitenruimten en woonlaag spelen in de berekening
van de puntenhuur een belangrijke rol. In de streken met een lagere
bevolkingsdichtheid, met weinig grote steden in de nabijheid staan dan ook de
huizen met een hoge gemiddelde puntenhuur. Gemiddeld blijken de beste
huurwoningen te staan in Flevoland, Oost Noord-Brabant en Limburg-Noord, de
slechtste of kleinste in Amsterdam.
3.4 De
koopwoningmarkt (kaart 4)
Evenals voor huurwoningen is het ook voor koopwoningen mogelijk
het puntenaantal op basis van het Woningwaarderingsstelsel, zie box 4.1, uit te
rekenen. Door deze vervolgens met de puntprijs te vermenigvuldigen hebben we ook
voor koopwoningen een punten'huur' berekend. In bijgaande kaart staat voor de 36
regio’s de puntenhuur voor de koopwoningen alsmede de verkoopwaarde zoals die
door de huishoudens in het WBO ’94 is opgegeven.
Daar de punten’huur’ kan worden opgevat als een indicator die
de kwaliteit van woningen meet blijkt uit de kaart dat in Oost-Noord Brabant en
Limburg-Noord de beste of grootste koopwoningen staan, terwijl de slechtste of
kleinste woningen in de regio Den Haag staan.
Voor de koopsector beschikken we ook over de door de bewoners
geschatte verkoopwaarde. De hoogste prijzen voor koopwoningen worden betaald in
de regio's 't Gooi, Utrecht-Oost, Wets-Veluwe en Den Bosch. De laagste in
Leeuwarden, Groningen, Zeeland en Rijnmond.. Hoewel er in de koopsector ook
belemmeringen bestaan, zoals de overdrachtsbelasting, is de prijsvorming op deze
markt meer een spel van vraag en aanbod. In de huursector is de prijsvorming
immers pas sinds 1993 vrij en het duurt een aantal jaren voordat dit gaat leiden
tot marktconforme huren. Veel meer dan in de huurwoningmarkt zitten naast de
kwaliteit van de woning ook de consumentenvoorkeuren, vraag en
aanbodverhoudingen in de prijs verdisconteerd. In vergelijking met de huren van
1994 zijn er in de koopprijzen veel grotere regionale verschillen. We hebben
gezien dat in de huurwoningmarkt het verschil tussen de duurste en de
goedkoopste huurwoning 23% is. In de koopsector is het verschil tussen Leeuwaren
en ’t Gooi meer dan 50%. In de vrijere koopsector zijn de regionale verschillen
dus veel groter. Verder zien we dat er veel meer spreiding in de verkoopwaarden
van koopwoningen dan in de punten'huur' van koopwoningen bestaat. Dit is
eveneens een aanwijzing in welke richting de huren zich zullen bewegen nu de
huursector vrijere huurprijsvorming kent.
Voor de beoordeling van het schaarste element in de prijs
dienen de verkoopprijzen echter in relatie tot de grootte en kwaliteit te worden
bezien. Dat zullen we in het volgende hoofdstuk doen.
3.5 Verhouding
taxatiewaardehuur/puntenhuur (kaart 5)
In de voorgaande hoofdstukken zijn de indices van de
taxatiewaardehuur en puntenhuur voor de huurwoningen, en de indices van de
taxatieverkoopwaarden en punten'huur' voor de koopwoningen aan de orde gekomen,
waarbij Nederland gelijk is aan 100. Aangezien de puntenhuur een indicator is
voor de kwaliteit van de woningen exclusief de invloed van regionale schaarste
elementen kan de verhouding taxatiewaardehuur en puntenhuur als een indicator
voor de schaarste per regio worden beschouwd. Deze quote kan eveneens opgevat
worden als een maatstaf voor de marktprijs-kwaliteit verhouding. Een lage quote,
onder de 1, duidt op een lage marktprijs voor de geboden kwaliteit. Een quote
boven de 1 houdt in dat er relatief veel voor de kwaliteit betaald moet worden.
Dat laatste zal het geval zijn in regio's met veel schaarste.
Zowel bij de koopwoningen als bij de huurwoningen vind men de
laagste verhouding in Leeuwarden en de hoogste in 't Gooi. Verder loopt de
rangorde in de huursector anders dan in de koopsector. Met name in regio’s in de
Randstad blijkt deze quote boven de 1 te liggen. Kennelijk is daar de schaarste
groot. Hierdoor moet dus voor overeenkomstige woningen in de Randstad een hogere
marktprijs worden betaald dan in de rest van het land.
Door de huren meer in overeenstemming te brengen met
marktconforme huren ontstaat op regionaal niveau de situatie dat de huren in de
Randstad, gelet op de schaarste aan woningen, meer dan de inflatie zullen
stijgen. Daarentegen zullen in het overgrote deel van Nederland de huren, willen
deze marktconform zijn, minder stijgen. Extra bouw van huurwoningen in de
Randstad kan echter een dempend effect hebben op de hoogte van de huren. Ook als
in de Randstad voldoende koopwoningen worden gerealiseerd, zal dat een drukkend
effect kunnen hebben op de taxatiewaardehuren van huurwoningen, en dus op de
huren onder vrije marktcondities. Door meer woningbouw in gebieden met relatief
grote schaarste zal op lange termijn de huren tenderen naar de lange termijn
evenwichtshuur.
De regionale analyse leidt daarom tot de conclusie, dat bij
vrijere toetreding, dus door een meer marktconforme bouwproductie die rekening
houdt met relatieve verschillen in schaarste, de markthuren meer zullen worden
bepaald door de kostprijs van een woning.
3.6 Index
taxatiewaardehuur/feitelijke huur (Nederland=100) (kaart 6)
Bijgaande kaart geeft de index weer van de verhouding
taxatiewaardehuur en feitelijke huur. In feite geeft deze index de mutatie van
de toekomstige huren weer in een vrijere markt onder invloed van de
schaarsteverhoudingen van 1994. Als de regionale woningbouw niet reageert op
gespannen situaties op de woningmarkt dan zullen de feitelijke huren op termijn
tenderen naar de taxatiewaardehuren. Zoals we in hoofdstuk 3.5 hebben gezien zou
er met name gebouwd moeten worden in gebieden met een hoge taxatiewaardehuur ten
opzichte van de puntenhuur. Op lange termijn zou dan de kwaliteit van de woning
doorslaggevend voor de prijsvorming zijn. Bij onvoldoende bouw in deze gebieden
zal echter niet de kwaliteit, maar de schaarste van de woningen domineren in de
prijsvorming.
Niet in de vier grote steden, maar met name in de gebieden
rondomom de grote steden zouden de huren dan flink stijgen. Verder van de
Randstad af zoals in Nijmegen en het noorden van het land blijven de
huurmutaties achter bij de inflatie of kunnen zelfs ten dele zelfs dalen.
Als er echter in de gebieden waar schaarste heerst en waar deze
index boven 100 ligt, gebouwd wordt zal de intensiteit van de huurmutaties
verminderen en zal de huurontwikkeling zich meer in richting van de lange
termijn kostprijs bewegen.
3.7 De
prijs/kwaliteitverhouding voor huurwoningen in 1994 (kaart 6a)
Deze index bestaat uit het quotiënt van de feitelijk huur en de
puntenhuur. Hierdoor zou deze index opgevat kunnen worden als een
prijs/kwaliteitverhouding voor de situatie in 1994, aangezien de feitelijke huur
de prijs is die maandelijks betaald moet worden en de puntenhuur een indicator
voor de kwaliteit is.
Uit voorgaande hoofdstukken bleek dat de feitelijke huren
buiten de Randstad vaak lager liggen dan het landelijk gemiddelde. Daarnaast
zijn de huizen buiten de Randstad vaak groter of van een betere kwaliteit. De
gemiddelde puntenhuur ligt in deze streken boven het Nederlands gemiddelde. We
zien dan ook dat buiten de Randstad de prijs/kwaliteitverhoudingen onder de 100
liggen. In het algemeen blijkt dat men buiten de Randstad meer waar voor zijn
geld krijgt.
In de Randstad blijkt de schaarste al enigszins in de prijzen
verdisconteerd te zitten. Hier moet relatief meer voor de geboden kwaliteit
betaald worden. Hoewel de verschillen niet zo groot zijn als de
markthuurindicator (taxatiewaardehuur/puntenhuur) aangeeft, ligt in deze
gebieden waar de schaarste op de huurwoningmarkt het grootst is, ondanks de
kleinere of minder goede huizen, de feitelijke huren toch boven het Nederlands
gemiddelde .
Bij opheffen van de regionale verschillen in schaarste op de
woningmarkt door voldoende bouwinspanningen kan deze indicator ook opgevat
worden als een maatstaf waar de huren op lange termijn naar toe zullen bewegen.
Indien er op de woningmarkt geen regionale schaarste verschillen bestaan, dan
zullen de huren in een vrije markt op de tenderen naar de lange termijn
evenwichts prijs. In deze prijs zijn met name objectieve kenmerken van belang,
zoals de kwaliteit van de woning. De puntenhuur kan opgevat worden als een
dergelijke maatstaf. Wanneer we even eventuele verschillen in bouwkosten buiten
beschouwing laten, dan zullen in een dergelijke situatie de huren buiten de
Randstad extra stijgen vanwege de hogere kwaliteit van de woningen aldaar. In de
Randstad zullen vanwege de gemiddeld lage puntenhuur de huren met minder dan het
landelijk gemiddelde gaan stijgen.
3.8 Pendel als
indicator voor krapte op de woningmarkt (kaart 6b)
Bij een forens denken we aan iemand die buiten zijn werkregio
woont en bij een pendelaar iemand die buiten zijn woonregio werkt. De omvang van
het forensisme, oftewel de pendel, is per definitie gelijk aan het aantal
personen dat in een ander gebied (gemeente of woningmarktregio) werkt dan waarin
dat aantal woont. Er is sprake van inkomend forensisme, negatieve pendel,
indien er een overschot aan arbeidsplaatsen is, en van uitgaand forensisme, positieve pendel, indien het aantal woningen (maal het gemiddeld
aantal werkenden per woning) groter is dan het aantal arbeidsplaatsen. Zonder
internationale pendel geldt per definitie dat in Nederland het totale aantal
uitgaande pendelaars gelijk is aan het aantal inkomende pendelaars. Er zijn
echter zo’n 32 duizend mensen die in Nederland wonen, maar in het buitenland
werken. De som van de totale pendelsaldo in onze berekening is dan ook 32.
In de praktijk komt het vaak voor dat in regio's die meer
arbeidsplaatsen tellen dan woningen, er naast de inkomende pendel ook sprake is
van uitgaande pendel. Het omgekeerde komt natuurlijk evenzeer voor. De oorzaak
hiervoor kan veroorzaakt worden door het feit dat woningen en arbeidsplaatsen
niet homogeen zijn. Maar ook hoge transactiekosten (verhuiskosten) kunnen een
reden vormen voor extra hoge pendel. Daarnaast kan ook de situatie op de
woningmarkt een rol spelen. Indien het moeilijk is om een huis te huren of de
koopwoningen duur en schaars zijn kan men besluiten of gedwongen zijn om verder
van het werk te gaan wonen. Slechts door woningbouw bij de werkplek of
werkplekken naar de woningen te verplaatsen zou deze pendel kunnen verminderen.
Zo kan de pendel dus een indicator zijn voor de situatie op de woningmarkt.
Zoals op de kaart te zien is zijn gaan de forensen met name naar de 4 grote
steden. De grootste uitgaande pendel is dan ook in de regio’s om deze steden
gesitueerd. Niet toevallig staan hier dan ook de meeste files. Een extra
negatief extern effect is dat dit grote gevolgen voor milieu heeft. Zo werden er
in 1995 in totaal 39 miljard kilometer van de woonplaats naar de werkplek
verreden wat een uitstoot van 18 miljard kilogram CO2 tot gevolg had.
3.9 Impliciete
subsidies (kaart 8)
We hanteren hier de taxatiewaarde huur als indicator voor de
markthuur. Het verschil tussen deze markthuurindicator en de feitelijke huur
noemen we de ‘impliciete subsidie’. Veel mensen met hoog inkomen hadden in het
verleden, bij de toewijzing van de woning, een laag inkomen> ze kwamen daarom
in aanmerking voor een woning met een lage prijs/ kwaliteitsverhouding. Het
bedrag aan ‘impliciete subsidie’ raakt iemand veelal kwijt als hij of zij gaat
verhuizen en nu een hoger inkomen heeft. Met dat hogere inkomen komt hij immers
niet meer in aanmerking voor een goedkope woning. Met name de goedkope
huurwoningen zijn de woningen met de meeste kans is op een lage, gunstige prijs/
kwaliteitsverhouding.
De discrepantie tussen feitelijke huren en markthuren mag men
ook verwachten bij particuliere verhuurders, aangezien voor alle verhuurders de
huren vanaf de Tweede Wereldoorlog tot voor niet zo lang geleden werden
gereguleerd.
Als de impliciete subsidies alleen terecht zouden komen bij de
lage inkomensgroepen, zou de impliciete subsidie de rol van (aanvulling op de)
IHS vervullen. Onze berekeningen laten echter zien dat de impliciete subsidies
bij hogere inkomens nagenoeg in dezelfde mate voorkomen als bij de lagere
inkomensgroepen, zie hoofdstuk 4.
Indien de feitelijke huren zich richting markthuur gaan
aanpassen, zullen natuurlijk de impliciete subsidies af gaan nemen. De totale
omvang van de impliciete huursubsidies zal dan aanzienlijk minder bedragen dan
in de beginsituatie. Zoals in voorgaande hoofdstukken naar voren kwam, zijn
vooral in de Randstad de markthuren hoger dan de feitelijke huren. Het aantal
mensen dat forse positieve impliciete subsidies ontvangt is in deze regio’s dan
ook hoger dan huishoudens met een negatieve subsidie, ‘de betalers’. Deze
‘betalers’ vind men dan ook voornamelijk buiten de Randstad, waar de markthuren
onder de feitelijke huren liggen.
3.10 Aantal
potentiële kopers onder huurders in drie scenario’s
3.10.1 Algemeen (kaart 7)
In dit hoofdstuk wordt berekend voor hoeveel huurders het aantrekkelijk is om
hun eigen huis te kopen. Hierdoor kunnen analyseren wat de invloed van
ontwikkelingen op de koopwoningmarkt, zoals een lagere rente of het vermeende
belastingplan van Vermeend, zou kunnen zijn op de huurwoningmarkt.
Met behulp van het microsimulatiemodel 'Microstad' is het
mogelijk op basis van het WBO ’94 en de berekende taxatiewaarden voor iedere
huurder de woonlasten te berekenen voor de situatie dat hij zijn huis tegen
taxatiewaarde zou kopen. Vervolgens kunnen die lasten worden vergeleken met de
woonlasten in de huursituatie.
De berekening van het aantal potentiële kopers is in drie
stappen gebeurd.
Stap (i): Woonlasten bij huur: Allereerst is voor iedere
huurder uit het WBO een berekening gemaakt van de netto woonlasten. Deze bestaan
uit het verschil tussen de feitelijke bruto huur en de (eventuele) individuele
huursubsidie (IHS).
Stap (ii): Woonlasten in schaduwsituatie (zie ook box 10.1
woonlastenberekening): De schaduwsituatie is gedefinieerd als de situatie
waarin de huurder zou verkeren indien de huidige huurwoning door hem tegen de
marktprijs zou zijn gekocht. Bij de berekening van de woonlasten is niet alleen
rekening gehouden met de kasuitgaven, maar ook met afschrijvingen en perceptie
van transactiekosten (uitgesmeerd over de gemiddelde tijd dat iemand in een
woning woont) en de perceptie van de waardestijging (verwachte
bouwkosteninflatie). Aldus wordt rekening gehouden met de verwachte inflatie
(8), zie ook paragraaf 3.10.3.
Stap (iii): In deze stap wordt berekend voor hoeveel
huurders de woonlasten in de koopsituatie lager zijn dan in de huursituatie en
waarbij het inkomen voldoende groot is om 100% financiering te kunnen
krijgen.
3.10.2 Woonlasten voor de
eigenaar-bewoner onder diverse veronderstellingen (kaart 7b)
Er bestaan betreffende de vergelijking van woonlasten bij huur en koop vele
onderzoeken (9) met grote verschillen in methodiek en uitkomsten. De
beantwoording van de vraag welke methodiek de beste is voor de vergelijking van
de woonlasten tussen huurders en eigenaar-bewoners alsmede hoe groot de
woonlasten precies zijn valt echter buiten het kader van dit boekwerk. We hebben
daarom gezocht naar een snelle, praktische oplossing die geen uitspraak doet
over de juiste methodiek en uitkomsten.
Box 11.1
Woonlastenberekeningen
Zoals hiervoor beschreven is voeren we voor iedere huurwoning
een dubbele berekening uit:
- de netto woonlasten bij huur: huur minus IHS
- de netto woonlasten bij koop bestaande uit de volgende posten:
+ taxatiewaarde Vrij op Naam (VON)*(ovb % + makelaars % +
notarislasten % bij verkoop),
+ rente (r) maal taxatiewaarde kosten koper
(KK),
+ onroerende zaakbelasting,
+ onderhoudskosten,
afschrijvingen en overige kosten in % taxatiewaarde VON
- jaarlijkse
waardestijging door inflatie,
+ reserve voor transactiekosten (KK-VON)
bij volgende verhuizing, gedeeld door verwacht
aantal jaren tot die
verhuizing.
____
Totaal: y % van de taxatiewaarde (deels VON en deels
KK)
- voordeel belastingaftrek over rente + belasting wegens
huurwaardeforfait, tezamen z% van de
taxatiewaarde
____
Totaal: x
% =(y- z)/12 van taxatiewaarde = maandelijkse netto woonlasten bij koop
y is alle jaarlijkse bruto woonlasten uitgedrukt in een
percentage van de taxatiewaarde en z is het saldo van de aftrekbare lasten in
procenten van de taxatiewaarde. Daarna beschikken we voor iedere huurder over de
volgende informatie:
- de netto huur
- de geschatte netto woonlasten als de betreffende woning een koopwoning zou
zijn.
Vervolgens kunnen we berekenen:
- het aantal huurders met een netto huur groter dan geschatte netto woonlasten
bij koop.
- op basis van de normen van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen
berekenen we voorts hoeveel van hen gelet op de hoogte van hun inkomen ook in
staat zijn de aankoop van de woning voor 100% te financieren.
Daartoe hebben we een uitgebreid rekenschema opgesteld met alle
posten die van invloed zouden kunnen zijn. Daarbij zijn ruime marges aangehouden
en zijn subjectieve elementen inbegrepen, zoals de afschrijvingen, de perceptie
van de toekomstige waardestijging en de perceptie van de reserveringen voor
toekomstige verhuizingen.
De lasten kunnen in twee componenten worden onderscheiden: éénmalige
verwervingskosten en terugkerende kosten. Bij verwerving zijn de volgende kosten
van belang:
Tabel 11.1 Berekening verwervingskosten bestaande woning in procenten
koopprijs
| |
in % koopprijs |
referentie |
Eigenaarsdeel Onroerende zaakbelasting (OZB)
verschilt per gemeente |
0,05 à 0,3 |
0,1 |
Onderhoudskosten (VROM onderzoek, bewerkt door Vereniging Eigen Huis, bij
koopprijs 200.000 |
0,9 à1,9 |
1,0 |
Waterschapslasten |
0,02 à 0,075 |
0,05 |
Rente (in 1994: 7%) |
5 à 7,1 |
7,0 |
Overlijdensrisicoverzekering |
0,02 à 0,09 |
0,05 |
Opstalverzekering |
0,055 à 0,125 |
0,1 |
Afschrijving in 40 à 50 jaar |
2 à 2,5 |
2 |
|
Reserveren:
perceptie transactiekosten t.z.t. / verwachte tijd tot verhuizen, contant
gemaakt met een discontovoet ca 12 %/12 jaar |
0,5 à 1 |
0,7 |
|
Aftrekken: perceptie waardestijging (verwachte
bouwkosteninflatie) |
0,5 à 3,0 |
2,0 |
Totaal |
8,045 à 10,09 |
9 |
| |
|
|
waarvan aftrekbaar bij belastbaar inkomen: |
|
|
rente |
Zie boven |
|
|
Aftrekken: Huurwaardeforfait |
0,6/1,25 à 1,68 |
1,25 |
Totaal |
3,75 à 5,42 |
5,75 |
Bronnen: Hypotheekrentejournaal, De Woonconsument 1997 nr. 2,
Vereniging Eigen Huis; Elseviers Financiële Planner 1997; ‘Kopen of blijven
huren’, Vereniging Eigen Huis, 1995 plus update 1996, zie ook M. Elsinga; ’Een
verkenning van de financiële effecten van de gepresenteerde instrumenten’ bij
PvdA-notitie ‘De koopwoning bereikbaar’, juni 1996.
3.10.3 De drie scenario’s
We hebben in dit onderzoek drie scenario’s doorberekend. Door
deze berekening uit te voeren onder dezelfde (deels arbitraire)
veronderstellingen is het mogelijk de verschillen in uitkomsten te vergelijken.
Het eerste scenario is ongeveer de stand van 1994, waar we uitgaan van een
renteniveau van 7%. De totale woonlasten bedragen dan ongeveer 9% (zie paragraaf
3.10.2).
Scenario 2 gaat uit van een 1% lagere rente, de situatie zoals
die anno 1997 is. De bruto woonlasten in scenario 1 zijn daardoor gelijk aan die
van scenario 2, maar de netto lasten zijn in scenario 1 iets hoger omdat de
lagere rente minder belastingvoordeel geeft en de niet aftrekbare kosten geen
effect hebben op het belastingvoordeel.
In scenario 3 zijn vervolgens, bij een rente niveau van 6%, de
voorstellen van Vermeend (voor zover ons bekend is) voor belastingherziening in
de volgende eeuw doorberekend. We zijn hierbij uitgegaan van de tarieven van
respectievelijk 18, 36 en 48 procent en de afschaffing van de belastingvrije
voet. De lengte van de eerste schijf is fl. 30 duizend en de lengte van de
tweede schijf is fl. 34 duizend. Daarnaast is er van uitgegaan dat het
koopkrachteffect van een AOW-er gelijk is aan dat van iemand met een
minimumloon.
Niet iedereen die financieel beter af zou zijn in de
koopsituatie is echter ook in staat om te kopen. De financiering van de koopsom
lukt vaak niet bij een laag inkomen. Daarom is ook een toets ingebouwd op de
financierbaarheid, gebaseerd op de normen van de Stichting Waarborgfonds Eigen
Woningen (10). Diegenen die een huur/koopquote groter dan 1 hebben en tevens in
staat zijn tot financiering zijn de ‘potentiële kopers’.
Met name in de gebieden buiten de randstad, waar de
taxatiewaarde van de huurwoningen onder het landelijk gemiddelde ligt, is het
voor een relatief groot percentage huurders aantrekkelijk om hun eigen huis te
kopen. In de regio’s om de grote steden is het daarentegen door de hoge
taxatiewaarden niet aantrekkelijk om te kopen.
Bij de huidige rente van 6% is het natuurlijk aantrekkelijker
om te kopen dan bij een rente van 7%. Het plan ‘Vermeend’ is doorberekend met de
huidige rente van 6%. In het algemeen is het, door de lagere schijven en de
daardoor de lagere belastingaftrek, voor een kleiner aantal huurders financieel
aantrekkelijk om te kopen dan bij het huidige belastingregime.
De berekening betreft een momentopname en men mag verwachten
dat een deel van de potentiële kopers de komende jaren inderdaad zal
kopen. Een ander deel zou wel willen kopen, maar slaagt daar niet in vanwege
onvoldoende aanbod van met name goedkope woningen. Weer een ander deel heeft al
een woning gekocht, maar is in afwachting van de oplevering nog huurder.
Tenslotte zal een deel van hen ondanks het financiële voordeel toch liever
huurder blijven. Bekende redenen om niet te kopen zijn :
3.11 Huren, verkoopprijzen en inkomen per
hoofd in 1994 (kaart 9)
Een van de verklarende variabelen voor verschillen in
verkoopprijzen of huren zou het inkomen kunnen zijn. In ‘armere’ streken zou met
name de behoefte aan goedkopere koopwoningen groter kunnen zijn. Anderzijds
zouden door de goedkopere huizen ook juist mensen aangetrokken worden, die door
hun lage inkomen goedkoop willen wonen. In werkregio’s zou bijvoorbeeld door de
grotere koopkracht behoefte kunnen bestaan aan duurdere woningen.
Voor huurwoningen zou ten dele hetzelfde verhaal kunnen opgaan.
Echter doordat de grootste verhuurders, de toegelaten instellingen, als taak
hebben laagbetaalden te huisvesten zou verwacht kunnen worden dat in regio’s met
lage inkomens eveneens de huren laag zijn. Tevens zou in deze regio’s de sociale
huursector groter kunnen zijn, omdat hier een grotere taak weggelegd lijkt voor
de sociale verhuurders.
In de kaart hiernaast is naast de verkoopprijzen van
koopwoningen en de huren eveneens de index van de inkomens van de huurders
weergegeven. Men ziet dat in de noordelijke en oostelijke provincies het inkomen
per hoofd lager ligt dan in de rest van Nederland. In de Randstad en in de
streken nabij de Randstad is het inkomen van huurders per hoofd hoger. Ook de
huren zijn hier hoger.
In de kaart valt af te lezen dat de huurders in Groningen en
Leeuwarden de laagste inkomen hebben, Tevens betalen zij het minst huur en zijn
de verkoopwaarden van koopwoningen laag. In Gouda en Utrecht-Oost wonen de
huurders met de hoge inkomens die tevens een hoge huur hebben.
Noten:
(7) Als definitie voor het (bruto) rendement
is de verhouding tussen de feitelijke gemiddelde huur en de gemiddelde
taxtatiewaarde genomen. Dat rendement bedroeg in 1994 bij de sociale verhuurders
5,2% en bij de particuliere instellingen 5,5%. Aangezien mag worden aangenomen
dat particuliere instellingen op de lange termijn grosso modo een marktconform
rendement realiseren, nemen we hun rendement van 5,5% op jaarbasis als
uitgangspunt. Omdat ook particuliere verhuurders onderworpen zijn aan
huurregeleingen, is die 5,5% misschien een onderschatting. Daar tegenover staat
echter dat de woningmarkt gekenmerkt wordt door kunstmatige schaarste. Hierdoor
is de taxatiewaarde van huurwoningen vermoedelijk anders dan de marktconforme
'evenwichtswaarde'. Overigens komt men tot een vrijwel hetzelfde
rendementspercentage als men uitgaat van, op jaarbasis, 1,5% voor onderhoud,
eigenaarsdeel Onroerende Zaak Belasting, waterschapslasten, opstalverzekering en
beheerskosten, een 4% reëel netto rendement. Bij het hanteren van een rendement
van 5,5% per jaar vinden we uiteraard dat de gemiddelde taxatiewaardehuur bij de
particuliere instellingen gelijk is aan de feitelijke huren. Bij de corporaties
ligt de aldus berekende taxatiewaardehuur gemiddeld 6% boven de feitelijke huren
in 1994. Dus bij een rendement van 5,5% is een overgang naar marktconforme huren
in tien jaar mogelijk indien de jaarlijkse huurstijging gemiddeld op
0,6%, bovenop een min of meer trendmatige huurstijging de gelijk is aan de
inflatie, ligt.
(8) In plaats vam de verwachte inflatie als minpost op de
woonlasten bij koop te nemen, hadden we ook kunnen kiezen voor het opnemen van
de inflatie als pluspost bij de woonlasten bij huur. Voor het quotiënt van
huur/koopwoonlasten maakt dat natuurlijk geen verschil.
(9) Rosen (1978),
King (1980), van Fulpen (1983), MVROM (1992), MVROM (1994), Megbolugbe (1993),
Conijn (1995), Elsinga (1995), Mersmann (1996), Mikulic en Everaers (1994),
Vereniging Eigen Huis (1996), Focus (1996), Briene, NEI (1997), VROM (1997
blz.110).
(10) In de onderhavige berekeningen is geen rekening gehouden met
het gegegeven dat het volgens overheidsvoorschrift verboden is een huurwoning
met een huur van minder dan 450 gulden per maand te verkopen aan een huishouden
met een belastbaar jaarinkomen van hoger dan 43.500 gulden per jaar. Ongeveer 6%
van de huurders heeft een huur van minder dan 450 per maand en een belastbaar
jaarinkomen van meer dan 43.500.
4 Regionale kerngegevens van 36
woningmarktgebieden
Op de volgende pagina’s worden de cijfers zoals hiervoor
weergegeven nader uitgesplitst voor elk van de 36 woningmarktgebieden. Voor elke
regio zijn er twee pagina's. Daarbij komen de volgende gegevens aan bod. Op de
eerste, linker pagina staan de kerngegevens. Allereerst staan er vier algemene
kerngegevens. Dit zijn:
Algemeen
Aantal inwoners = aantal inwoners die in de regio woonachtend
zijn.
Pendelgegevens, gegevens over de mobiliteit naar en van de
regio:
Woonregio = aantal werkenden dat in de regio woonachtig is
Werkregio = aantal werkenden dat in de regio werkt
Woon=werkregio = aantal werkenden dat zowel woonachtig als
werkzaam in de regio is
Vervolgens wordt er dieper op de huursector ingegaan, die
onderverdeeld is in de particuliere verhuurders en de sociale verhuurders.
Kerngegevens huursector
Aantal woningen = aantal woningen die door huurders bewoond
worden.
Aantal recht op IHS = aantal huishoudens dat op grond van hun
inkomen in 1994 recht op Individuele Huursubsidie had.
1994 (miljoenen): gegevens met betrekking op 1994 (ten
tijde van het WBO ’94)
Huursom ’94 = totaal aan basishuur (zonder dat IHS ervan is
afgetrokken) dat door
huishoudens is betaald op jaarbasis.
Taxatiewaardesom = totale waarde huurwoningen bezit gewaardeerd
tegen de door MMC
geschatte taxatiewaarde
Recht op IHS som = totale bedrag aan IHS waar huishoudens in
1994 recht op hadden op
jaarbasis
Impliciete subsidies+ = aantal huishoudens waarvan de huur meer
dan fl. 100 onder de
markthuur (taxatiewaardehuur) ligt
Impliciete subsidies- = aantal huishoudens waarvan de huur meer
dan fl. 100 boven de
markthuur (taxatiewaardehuur) ligt
Belastbaar huishoudinkomen = totale bedrag aan belastbaar
huishoudinkomen (dus van
partner en ‘hoofd’ huishouden)
Verder staat op de eerste, linker pagina van elke regio een
kort commentaar over de situatie in de regio en te verwachten ontwikkelingen.
Verder staan bij iedere regio twee grafieken. In de bovenste grafiek een staan
de indices voor de feitelijke-, punten- en taxatiewaardehuur. Hierbij is
Nederland gelijk gesteld aan 100. Tevens staat er een diagram om aan te geven
hoe het woningbezit is verdeeld.
Op het tweede, rechter blad van de regio worden voor de
subcategorieën verhuurder, leeftijd. Inkomen en huur de gegevens gepresenteerd
zoals die hiervoor bij de kaartjes zijn behandeld. Tevens staan niet alleen de
indices (Nederland=100) vermeld, maar ook de bedragen in guldens. Voor de
precieze definiëring van de verschillende variabelen kan naar de eerste
hoofdstukken verwezen worden.
Per regio wordt daarbij ook informatie gegeven uitgespitst
naar:
- Soort verhuurder
- Leeftijd
- Hoogte huishoudinkomen
- Huurklasse (verkoopprijsklasse klasse bij koopwoningen)
De corresponderende verkoopklassen bij koopwoningen die bij de
huurklassen staan zijn (op basis 5,5% rendement op jaarbasis):
Bruto-huur <fl.300 = taxatiewaarde kleiner dan de fl.
65.000
Bruto-huur fl.301 – fl.400 = taxatiewaarde tussen de fl. 65.000
en de fl. 87.000
Bruto-huur fl.401 – fl.500 =: taxatiewaarde tussen de fl.87.000 en de fl.
109.000
Bruto-huur fl.501 – fl.600 = taxatiewaarde tussen de fl. 109.000 en de fl.
130.000
Bruto-huur fl.601 – fl.700 = taxatiewaarde tussen de fl. 130.000 en de fl.
152.000
Bruto-huur fl.701 – fl.800 = taxatiewaarde tussen de fl 152.000
en de fl. 174.000
Bruto-huur > fl.800 = taxatiewaarde meer dan fl. 174.000
Literatuurlijst
Woningmarktonderzoek door Micromacro Consultants uitgevoerd
Micromacro Consultants in opdracht Min. VROM:
'Huren in een vrije markt', oktober 1995
‘Herijking Woningwaarderingstelsel; Dynamische effecten
economische waardehuur’, VROM, Den Haag, oktober 1996. Gratis verkrijgbaar onder
nr 13454/171 bij Distributiecentrum VROM 079-3449449. Samenvatting in
‘Liberalisering van huurwoningmarkt’, ESB 31-7-1996
‘Onderzoek vrijstelling overdrachtsbelasting voor huurders die
kopen’, april 1997
‘Onderzoek vrijstelling overdrachtsbelasting bij verhuizen naar
dichter bij het werk’, mei 1997
Micromacro Consultants in opdracht Min EZ en FIN:
‘Ordening in Woningmarkt: naar marktconforme huren’, november
1997, uitgegeven in Onderzoeksreeks Directie Marktwerking MinEZ Gratis,
070-3798820. Samenvatting in Tijdschrift Volkshuisvesting 1998/2:
‘Welvaartswinst door marktconforme huren’.
Micromacro Consultants voor eigen rekening uitgevoerd en
uitgegeven:
‘Regionale woningmarkten’ 1997 ISBN 90-76240-01-9 incl.
Diskette met data voor
36 woningmarktgebieden prijs f 169,60. Samenvatting in bundel
Volkshuisvestingsdiscussiedagen september 1998: ‘Marktwerking in de
Volkshuisvesting’
Woningmarktonderzoek waaraan dr. M. van Schaaijk eerder mee
werkte:
Centraal Planbureau:
'MICRODAM, Marktmechanisme en bezuinigingen in de
huurwoningmarkt', Centraal Planbureau Onderzoeksmemorandum 26, 1986.
Samenvatting: ‘Marktmechanisme en huursubsidie’ ESB 18-3-1986 |